Als ik s’ochtends naar Het Paleis fiets, straalt de zon tussen de wolken door. Dat past goed bij deze dag.
De dag van de zon hoort immers zonnig te zijn, zeker als er zo’n feest voor de ogen op de planning staat. Dat Het Paleis vandaag feestviert, is snel duidelijk, met al de kleurrijke vlaggetjes en ballonnetjes om de vergeetachtige designliefhebber daaraan te herinneren.
Als ik Het Paleis binnenloop, loop ik een fantasiewereld binnen waar o zo vertrouwde objecten net iets anders eruitzien dan gebruikelijk. Soms komt het iets dichter bij zijn essentie (een stoel is een stoel, is een stoel), en soms juist zo ver mogelijk daar vandaan (waarom zou een schommel niet van blauw en geel kunstmatig gras kunnen zijn?).
Eenmaal in het informatiepunt, tref ik Eileen Blackmore, de vrouw achter House of Design en hoofdorganisator van de dag. Van haar begrijp ik dat vandaag bezoekers verschillende routes kunnen volgen langs ontwerpsateliers verspreid door heel Groningen: een lange en een korte algemene autoroute, een lange en een korte algemene fietsroute, en tenslotte een lange en een korte groene route langs ontwerpers die duurzame materialen gebruiken.
Op zo’n mooie dag is mijn keus snel gemaakt: ik ga de groene route volgen, uiteraard op de fiets. Daar staat 1 uur en 32 minuten voor gepland, maar ik doe er de hele dag over (Mijn gebrek aan oriëntatievermogen ter zijde). Wat ik tegenkom is vaak zo verrassend en de verhalen van de ontwerpers zo boeiend, dat ik er ruim de tijd voor wil nemen om alles goed door me te laten dringen.
Ik begin bij Het Paleis zelf. De sfeer in de daarvoor ingerichte ruimte doet me sterk aan Koninginnedag denken. Maar dan wel met professionals in plaats van amateurs en met kunstwerken in plaats van troep. Bij het kijken naar al die alledaagse objecten die er zo onalledaags uit zien, worden bij mij allerlei filosofische vragen opgeroepen: is een stoel zonder ronde schroefjes nog een stoel? Een tafel van lilliputformaat en vol gaatjes nog een tafel? Ontwerper Leen van Wijgaarden legt het even uit: “Een meubel hoeft niet functioneel te zijn, het gaat om de extra laag, de diepere dimensie die je eraan toevoegt”.
De bezoeker blijft verrast: “O, een koelkast!” “Nee, gewoon een kast!”. Soms is juist de functionaliteit van datgene wat niet meer als functioneel wordt beschouwd, het uitgangspunt voor een ontwerp. Marnix Kleefmann gebruikt een oud wasmachineonderdeel als wasmandje en een deel van een oude stofzuiger als papierbak; George van Engelen brengt dode bomen weer tot leven als prachtige, moderne meubels. Naast de bijzondere ontwerpen die hier te bewonderen zijn, valt mij de amicale, ontspannen sfeer op. Als ik ontwerpers over hun werk hoor praten, is het percentage glimlachen per zin ongewoon hoog. Het is hier niet te merken dat hun sector in feite flink onder de economische crisis lijdt. Kennelijk leven ontwerpers meer van de vreugde die ze uit hun werk halen, dan van de financiën die dat werk hen oplevert.
En nu ga ik op pad, naar locatie B. Met kaart en routebeschrijving in de hand, fiets ik naar mijn eerste groene atelier: het atelier van Melle Koot aan de Oosterhamrikkade. Melle zelf is er niet, maar een stagiaire laat me wel binnen. Het eerste wat me opvalt is een lange tafel/bankset die van boven strak en geraffineerd is en van onder rustiek en naturel. Mens en natuur geven elkaar de hand in de mooiste samenwerking. Ook krijg ik een krukje van geperst sojahout te zien en een houten Lego-achtige stoel die uit elkaar kan worden gehaald. Een gestoffeerde versie van deze stoel staat in het café van het Grand Theater aan de Grote Markt. Wat moet het toch fijn zijn om na een goede voorstelling in zo’n comfortabele stoel van het uitzicht op de Martinitoren te genieten!
Op zoek naar meer schoonheid met een visie... Als ik langs de Paradijsvogelstraat fiets, zie ik een rij ganzen vol vertrouwen de weg oversteken. Het schijnt dat ze dat al generaties lang doen. Aan het einde van dit paradijs voor vogels, kom ik het atelier van Tjeerd Veenhoven tegen. Daar binnen vertelt Veenhoven mij uitgebreid over zijn bekende fiets gemaakt van carbondraden, zijn laptoptassen voor ‘Ben’ [foto 151], en zijn petflessen die samen een windmolen vormen. Veenhoven geeft me een boeiende lezing over hoe moeilijk het is om iets lichts te ontwerpen, om naar de essentie ervan te gaan, en hoe bijzonder het is als dat uiteindelijk toch lukt.
Het volgende atelier is dat van Roeg Holt, wiens naam groot op een vrachtwagen vol hout voor de deur staat. De ruimte is groot, de meubels mannelijk, met een sterke innerlijke uitstraling. In een sauna-achtige hoek, deel ik een kopje koffie en wissel ik indrukken uit met een oude fan van Roeg Holts werk. Voor hij naar het verjaardag van zijn dochter gaat, kan ik Gert Valkema zelf nog even spreken. Zittend op één van de vele mooie, stevige tafels in zijn atelier, vertelt hij me dat hier alleen hergebruikt en op duurzame wijze verwerkt hout wordt gebruikt. Afvalhout wordt voor de verwarming bewaard, en zaagsel gaat naar een gehandicapten organisatie, waar het geperst wordt voor in de kachel.
Als ik blij van alle inspiratie naar de volgende locatie fiets, geniet ik van de zon die door de wolken schijnt, de bijzondere Groningse architectuur, de schattige pleintjes, het water en de bruggen. Ik ben benieuwd wat ik op de volgende locatie ga zien! Dat wordt de excentrieke woon- en werkruimte van Wout Wessemius, met o.a. een imponerende lamp van oude loden waterleidingbuizen. Het bezoek wordt bijzonder persoonlijk: één van Wessemius’ lampen draagt zijn vaders naam en zijn eigen woning wordt tentoongesteld, met in de woonkamer wat een noordelijke versie lijkt te zijn van Salvador Dalí’s Mae West lippen-bank (lichter, dunner, nuchterder). Zelfs zijn slaapkamer is te bezoeken, uiteraard met Wessemius’ kenmerkende ‘Nuage’, hangend over het bed.
Van het persoonlijke, volle en kleinschalige schakel ik over naar het onpersoonlijke, kale en grootschalige: het industrieelachtige atelier van Jeske de Groot en Zhan Tian aan de Trompsingel. De Groot praat met geïnteresseerde bezoekers (alhoewel ‘geïnteresseerd’ vandaag een overbodig bijvoeglijk naamwoord lijkt; van alle ontwerpers hoor ik namelijk dat de meer dan 130 bezoekers die ze vandaag over de vloer kregen, buitengewoon geïnteresseerde en geïnformeerde particulieren waren (ongeacht hun leeftijd of geslacht). Bij de Open Design Dag kunnen bezoekers niet alleen direct met ontwerpers in gesprek, ze mogen ook voorzichtig aan de ontwerpen zelf komen. Zo ook bij de Groots stoelen, die nieuw leven geven aan onderdelen van oude stoelen. De kleurrijke stoelen vormen een mooi contrast met Tians witte lamp en kast, die rust en puurheid uitstralen.
Het volgende atelier in de groene route is dat van interieurarchitecten Sabine Alther en Sander Jorn in hartje Groningen. Via een smalle trap, verlicht met een fietslicht, loop ik naar de zolder van een oude schipperswoning. Als ik door de smalle en lage deur met een “Bukken”-bord stap, voel ik me net Alice in Wonderland als ze na het eten van een koekje groeit en groeit, totdat ze heel erg groot is. Aan het einde van de gang kom ik in een piepkleine ruimte waar, zo te horen, met plezier aan tafel wordt gegeten. Ik denk dat ik de verkeerde deur heb, maar nee hoor, deze minikamer is waar ik moet zijn. Na ons aan elkaar voorgesteld te hebben vertellen Sabine en Sander me over het sprookjesachtig project waar ze momenteel mee bezig zijn. Samen met een restaurateur werken ze aan het interieurplan van het Wedderburcht, een prachtig 14e eeuws kasteeltje in de provincie Groningen. Het kasteel wordt van binnen verbouwd en heringericht als hotel voor kinderen die “aan de verkeerde kant van het geluk zijn geboren”. Ook zal het kasteel gebruikt worden als erfgoedlogies, evenemententuin en horecagelegenheid.
Als ik tevreden weer naar buiten loop, merk ik dat het al laat begint te worden en ik trek krijg.
And the winner is… Aan het einde van de route staat de Ontwerpwinkel van Paul Bloemers, de man achter het meubelmerk Bloooms. In zijn winkel en atelier vind ik duurzaamheid op z’n best: alle meubels worden namelijk met bamboe gemaakt. Dat is niet alleen ontzettend mooi en oersterk, er wordt ook nog eens niets mee verwoest. Aan de hand van foto’s uit Anji, één van de rijkste delen van China, waarvandaan hij de bamboe geleverd krijgt, legt Bloemers het even uit: “Anders dan hout wordt bamboe niet gekapt, maar gesnoeid, je laat de wortels staan en over slechts één week heb je een nieuwe scheut” . De nodige stof voor stoelen en banken wordt door Penduka verzorgd, een organisatie van vrouwen uit Namibië die aan de rand van de samenleving leven. Hoe respect voor mens en milieu niet ten koste hoeft te gaan van schoonheid, originaliteit en functionaliteit, laat Bloemers ook zien. Één grote boekenkast kan in twee boekenkasten gesplitst worden, door de lade tussen de twee er simpelweg uit te halen.
Een bezoekster merkt op: “Goh, je loopt hier vaak langs, maar het valt je niet op, en nu…” Waarop de ontwerper antwoordt: “Ja, dat is het mooie van zo’n open dag. ”Nou, dit vind ik dan een mooie zin om deze bijzondere dag – en daarmee ook mijn verslag af te sluiten".
Naar de fotogalerij >> | |

Informatiepunt Het Paleis

Informatiepunt Het Paleis

Tentoonstelling, rechts George van Engelen, midden Leen van Wijngaarden

Tentoonstelling, links Beelden Konstruktief, rechts Marnix Kleefmann

Tentoonstelling. Links stoel van Bart Vos, rechts pas afgestudeerde Melissa Dunnink en haar kast Oak.

Melle Koot

Foyer Grand Theater, Studio Gruin en Melle Koot.

Tjeerd Veenhoven, carbon bike

Tjeerd Veenhoven, windmolen met petflessen.

Roeg Holt

Wout Wessemius

Bloooms, Paul Bloemers
|